Enige gegevens betreffende dragers van den naam

P O (O) R T M A N (N)

In het bijzonder over het geslacht Poortman afkomstig uit

Mulheim aan de Roer

 

Samengesteld onder toezicht van wijlen rector A.D. Wilhelm Klewer

en door J.J. Poortman

Gedigitaliseerd door P.C.L. Poortman (jr) Okt. 1998

 

Het stamhuis der familie Poortman aan de Delle in Mülheim a/d Ruhr   Duitsland

(dit pand is nog niet zo lang geleden helaas gesloopt)

 

( LET OP !!!!      beweeg met de muis over en naast het plaatje hierboven )

 

Het oude Mülheim was in de 16e eeuw een dorp, dat om de oude Petruskerk gebouwd was. Deze kerk is hoog gelegen, was door een muur omgeven, die veel op een vesting geleek, van de Petruskerk ging en gaat nog heden een straat direct naar de Reer "Die Delle" genaamd, deze aanduiding draagt zij nu nog. Aan deze straat is het stamhuis van de familie poortman gelegen. Het jaar van de grondvesting is natuurlijk niet meer vast te stellen, zeker is het in de 16e eeuw geweest, want de omstreeks 1580 geboren Jurriaan Nicolaas Poortman, woonde reeds in dit huis. Het was oorspronkelijk een huis met paneelwerk, zooals alle oude Mülheimsche huizen, helaas heeft men het in het jaar 1894 laten bepleisteren. Toen nam het Julius Genner die eene Catarina poortman had getrouwd, over. In het jaar 1877 verkocht Julius Genner het, het wisselde driemaal van eigenaar en in 1902 kwam het in het bezit van de familie Stinnes, de bekende familie van groot-industralieelen. Hugo Stinnes was tot 1924 eigenaar. De toenmalige groote Poortmanstuin behoort heden tot het Stinnespark. Twee huizen naast het stamhuis van Poortman is het geboortehuis van Hugo Stinnes, in Mülheim, om de leeuwen op het bordes voor het huis "het leeuwenhuis" genoemd. Links naast het huis is een bergachtig huis, waarin een Mülheimschen burgemeester woonde, tegenover ligt het oude Mülheimsche stadhuis. Verder zijn in de straat huizen van oude belangrijke Mülheimsche families gebouwd, die voor het grootste deel uitgestorven zijn, of, zooals de bekende tabaksfabriekantenfamilie van Eicken, die naar Hamburg vertrok, van hun woonplaats veranderen. Rechts naast het familiehuis stond tot 1903 Mülheimsch eerste hotel "Der Zulast" (het verlof). Het huis Poortman zelf is een zeer solide huis van paneelwerk, aan de zware eikenbalken heeft de tijd niets kunnen afdoen. Het heeft een groote poortingang, waarvan de linker zijde niet op een muur rust, maar door eiken balken gestut wordt, een bouwstijl die voorheen onbekend is. De binnenplaats is met turfsteenplaten geplaveid. Het hoofdgebouw heeft op een binnenplaats een bijgebouw. Verder staan nog twee achtergebouwen, waarvan het een als woonhuis dient en ook vroeger gediend heeft. Het andere alsmede een groot afgebroken gebouw waren stallen. De groote tuin is zooals reeds gezegd tegenwoordig een park. Van binnen zijn in het hoofdgebouw twee trappen, waarvan een daardoor interessant is, dat zij geen trapleuning heeft, maar die de trap gebruikt houdt zich vast aan een koord (snoer). Het hoofdgebouw bevat 32 kamers, het bijgebouw meegerekend. Op de binnenplaats gaat een kelderluik in de kelder van het bijgebouw. Deze kelder is zeer diep gebouwd en buitengewoon ruim. Het is zeer wel mogelijk, dat zij vroeger als wijnkelder gediend heeft. Daarom is de veronderstelling in de verhandeling over Arnoldus Poortman (1620 - 1690) dat deze ook een wijnhandel gedreven heeft, gerechtvaardigd.

 

 

JURRIAAN NICOLAAS POORTMAN, Geboren omstreeks 1580 

Bij het maken van een stamboom van de oude Mülheimsche families, ergert men zich geregeld weer aan de droevige werkelijkheid, dat de oude kerkregisters vóór 1718, die de beste aanknopingspunten zijn bij opstellingen van stambomen, ontbreken. Zij zijn in de verwarringen van de Spaanse erfopvolgingoorlogen, enz., die ook onze stad meermalen bezochten, vernietigd geworden. Dus is de onderzoeker hoofdzakelijk op de oude familiepapieren en overleveringen aangewezen. Een de oude families, de familie Poortman, heeft een grote hoeveelheid documenten bewaard, die het ons mogelijk maken de familie tot ongeveer 1580 in Mülheim na te gaan, ja, men kan zelfs nog verder gaan en zeggen, toen moet de familie reeds lang in Mülheim woonachtig geweest zijn, want het bezit van den omstreeks 1580 geboren Jurriaan Nicolaas Poortman was een zeer deftig huis, dat men voor den toenmalige tijd bijna de naam van een patriciershuis geven kan, wanneer men den bouw met de huizen vergelijkt, die uit dien tijd nog in de omliggende steden staan, waarvan een patriciershuis gesproken kan worden. De onderzoeker mag daaruit wel de conclusie trekken dat de familie Poortman als eigenaresse van zulk een huis, reeds lang in Mülheim vóór 1580 woonachtig was. Nu kan tegengeworpen worden, dat de familie in dien tijd het huis door koop eigendom is geworden. De mogelijkheid van een toe-eigening kan derhalve bestaan. Daartegen kan echter gezegd worden, dat het op zijn minst, voor zoo ver had den vermelden Nicolaas Poortman betreft, niet helemaal juist kan zijn, want deze vervulde reeds toen een leidende functie, zoals straks door een feit bewezen wordt. Het is echter niet aan te nemen, dat een emigrant, dus een buitenlander in zo'n korten tijd zich zulk een positie had kunnen verschaffen, vooral in aanmerking nemende het feit, dat het buitenland toen zeer moeilijk gemaakt werd, zoals onze talrijke documenten bewijzen, vasten voet in het nieuw gekozen vaderland te verkrijgen. Er kan dus stellig besloten worden, dat op zijn minst de vader van Jurriaan Nicolaas Poortman reeds in Mülheim woonachtig is geweest. Bovendien gaat daarnaast de oude familieoverlevering, die de familie Poortman ingezetene aangeeft. Open blijft dus de mogelijkheid, dat de vader van Jurriaan Poortman hierheen gekomen is, daardoor bestaat de mogelijkheid van Hollandse afkomst, daar immers in den uit Mülheim afstammende Hollandschen tak van de familie een dergelijke overlevering bestaat. De kring Holland-Mülheim-Holland zou dientengevolge getrokken zijn. Ik houd deze verklaring voor zeer wel mogelijk, vooral als men er aan toevoegt, dat omstreeks 1770 een Mülheimsche Poortman naar Holland ging, dus een terugkeer vertoonde. Echter ontbreekt een document als zeker bewijs van intrekneming (emigratie) naar Mülheim. Zoo iets zou in Holland gevonden kunnen worden. Nu terug naar Nicolaas Poortman. Van hem is als voornaamste bewijsstuk uit het jaar 1623 behouden, waaruit blijkt, dat hij de aanleiding gegeven heeft van een voor dien tijd op hygiënisch gebied uitmuntende nieuwsgierigheid. Toentertijd was in de meeste steden en landstreken, dus ook hier in Mülheim, als watervoorziening de welput en meestal hadden wegens kosten van uitdieping een hele rij huizen slechts één wel gezamenlijk, dat is: vele families betrokken hun benodigde water uit één welput. Men kan zich indenken, dat daardoor wel eens wat in een welput viel, te meer omdat de welputten meestal slecht gesloten waren. Alle soorten vuilnis, dode beesten, enz. moesten dikwijls uit de welput verwijderd worden. In het jaar 1623 viel zelfs een kind in de put en verdronk. Toen greep Jurriaan Nicolaas Poortman, wiens woorden veel zeggingskracht hadden, in. Hij sloeg de bouw van een pomp voor, om vele ongemakken afdoende te verhelpen en zette, dankzij zijn gezag, het door, dat er zoo een gebouwd werd. Wanneer men in aanmerking neemt, dat Jurriaan Nicolaas Poortman door deze nieuwsgierigheid iets tot dusver onbekend bewerkte, de Mülheimers waren zeer conservatief, dan is zijn daad zeer hoog op prijs te stellen. De stichting van deze eerste waterpomp in Mülheim en de oprichting van een pompgemeenschap, dat is, de aansluiting van alle mede-eigenaren aan het nieuw verworven goed, werd feestelijk gevierd. Ter herinnering aan deze daad van J.N.P. en aan de oprichting van de pompgemeenschap werd verleden jaar in de "Plattdütsche Krink" een stuk opgevoerd, dat de titel "Pompgemeenschap" draagt en waarin J.N. Poortman als vervuller van de hoofdrol weer verschijnt. De samensteller van het stuk is Wilhelm Klewer. (De "Plattdütsche Krink" is een vrije vereniging van alle Mülheimers, die het oude Mülheimsche dialect, het "Platt" lief hebben en in stand houden. Zoo wordt in de "Krink" slechts "Platt" door arm en rijk gesproken. Het opgevoerde stuk is eveneens in dat dialect geschreven. Uit het feit, dat Jurriaan Poortman toen, dus in een tijd, dat men de nieuwigheden nauwkeurig afwees, ja zelfs bestreed, gelukte zijn wil door te zetten om in hygeniësch opzicht iets waardevols te bereiken, kan men wel met recht concluderen, dat Jurriaan Poortman grote invloed bij zijn medeburgers had, hij dus op zijn minst een geboren Mülheimer geweest zijn moet, anders had hij zulk een achting nooit en nimmer gehad. Zijn sterfjaar weten wij helaas niet, het is nergens opgetekend of ergens een aantekening daarvan gemaakt.

 

 

Arnoldus Poortman, geboren in 1620, Huisvrouw Christina Cuick , gestorven in 1690.

Van den zoon van Jurriaan Nicolaas Poortman zijn generlei bewijsstukken meer aanwezig. Men leest van hem slechts in gewone correspondatie. Hij moet in tegenstelling met de overige op vermeerdering en behoud van hun bezit steeds bedachtzame leden der familie Poortman niet zo'n goede beheerder zijn geweest, het is echter ook mogelijk, dat de oorlogsverwarringen van de 17e eeuw hem in bedruktheid gebracht hebben. Het waren Hollanders, Hessen, Keizerlijk volk, Franschen en Zweden dien toen in Mülheim huis hielden. Hij was dikwijls genoodzaakt leeningen te sluiten om zijn benarde positie te verbeteren. Echter zijn erfenis, het stamhuis in de Delle(straat) met zijn aangrenzende gebouwen en onroerende goederen is geheel zijn eigendom gebleven, wel is waar hij het met eenige hypotheken moeten bezwaren. Zo heeft hij van een medeburger namens Herman op de Heide een kapitaal van 300 talers (1 taler = 3 mark = 30 Groschen = Fl.1,80), bij de burgeres Greta kerkhuis 50 talers moeten opnemen (dit bedrag heeft Jurriaan Poortman, de zoon van Arnoldus in 1716 terugbetaald). Verder heeft hij een som van 52 talers van genoemde Herman op de Heide geleend. Meerdere schulden die hij nog heeft gemaakt, zijn in de opstelling opgesomd, die zijn zoon Jurriaan Poortman in zijn erfenistwist met zijn broers onder het oog gebracht heeft. (zie verhandeling III.). Interessant is het uit de opsomming te bespeuren, dat Arnoldus Poortman zelfs bij een wijnhandelaar van de Moezel 32 talers schuldig was gebleven. Bij de groote koopkracht van het geld in den toenmalige tijd kan men wel aannemen, dat Arnoldus Poortman deze wijn niet voor eigen gebruik had, maar de mogelijkheid bestaat, dat, dat hij een wijnhandel dreef. Zijn schulden moeten van velerlei soort geweest zijn, want een passage in de erfenisovereenkomst van de gebroeders Poortman van 26 juni 1714 luidt woordelijk: "omdat men niet weten kan of misschien nog eenige schulden voor den dag komen en degene, die erft, daarvoor gemaand zou worden, hebben de broers daarom een overeenkomst gemaakt, dat Jurriaan in dit geval zonder rente in handen moet hebben 4 jaar lang acht honderd en zestig talers na verloop van de 4 jaar echter, wat hij meer boven gespecificeerde schulden betaalt, berekenen, daarentegen wat hij meer dan die 68 talers nog betalen moet, hetgene wat overigens voor ouderlijke schulden voor den dag mocht komen, altijd een ieder tot zijn aandeel helpen dragen en hun broeder Jurriaan weer doen toekomen en schadeloos te stellen." Hij stierf in jet jaar 1690.

 

 

Jurriaan Poortman, geboren in het jaar 1666

Een geschikte bestuurder van het geslacht werd de tweede zoon van Arnoldus, de in het jaar 1666 geboren Jurriaan Poortman. Over hem wordt in de volgende verhandeling verteld. In het volgende zal een uittreksel van de contacten en beschikkingen gegeven worden, die leden de familie Poortman in het begin van de 18e eeuw afgesloten hebben. Uit deze contacten blijkt, hoe zorgvuldig en voorzichtig de toenmalige Mülheimers in eigendomskwesties handelen. Men spreekt zo dikwijls van den goeden ouden tijd, waarin het gesproken woord zo eerlijk gehouden werd als het geschrevene, maar ook destijds schijnt men de spreuk "eens geschreven, blijft geschreven" reeds zeer behartigd te hebben, want uit de doorzochte papieren blijkt, dat ook bij de kleinste leening of bewezen diensten ten dele omvangrijke akten opgemaakt en ook wel door een groot aantal getuigen onderteekend werden. Als het hoofd der toenmalige familie Poortman kan, met waardering van den inhoud der oude akten, de kerkprovisor (geestelijke) Jurriaan Poortman, de tweede zoon van den in 1690 gestorvene Arnold Poortman en diens huisvrouw Catarina aangemerkt worden. Hij treedt in al de geschriften steeds weer als handelende partij op, op diens doordrijven zijn de erfenisovereenkomsten afgesloten en andere beschikkingen met betrekking op de erfenis van den vader getroffen. Zoo legt hij op 8 juni 1714 zijn broers Nicolaas en Christoffel een lijst voor, die met groote nauwkeurigheid op hellers en pfenningen alle bedragen vermeldt, die hij van de nalatenschap van den vader vooral te vorderen heeft en die ook bewijzen, dat Jurriaan in dien tijd een rijk man geweest is. Eenige data uit dien tijd volgen. Op 15 november 1691 heeft Jurriaan en zijn broer Nicolaas ieder 16 talers en 7½Groschen aan een wijnhandelaar van de Moezel betaald, die hun vader dit bedrag schuldig gebleven was. Dan betaalde Jurriaan in 1697 en 1698 verschillende kleine leeningen terug, die van vreemde zijde aan zijn vader verstrekt waren, of hij voerde posten op, die hij aan zijn moeder leende. Verder geeft hij de reparatiekosten en rekeningen van arbeiders op, die hij betaald heeft en die tot behoud van de erfenis van de ouders nodig waren. Interessant is in deze opstelling, dat tot (in 1709) 1000 tichelsteenen 8 talers kostten, dus tamelijk duur waren, wanneer men bedenkt, welk een hoge koopkracht het geld toen had. In het geheel heeft Jurriaan volgens zijn opstelling 328 talers en 11½ Groschen voorgeschoten. Voor het onderhoud van zijn moeder wil hij vooraf niets eischen, vooropgesteld, dat zijn broeders zich vreedzaam tegen hem gedragen zullen, in het tegenovergestelde geval behoudt hij zich het recht voor, een nadere rekening op te maken. De broers kwamen Jurriaan daarin tegemoet, dat hij 300 talers uit de erfenis van zijn vader vooraf zou ontvangen en van de overblijvende 28 talers en 11½ Groschen afstand deed. Zij zetten hun handtekening daaronder en op verlangen van de gebroeders Poortman tekende de schrijver van de overeenkomst deze als getuige mee. Jurriaan Poortman ging toen op een vrouw uit en tot welks doel hij bovenbedoeld contract heeft, blijkt uit de acte, die hij één dag later op 9 juni 1714 opmaken liet. Hij sloot op dien dag met zijn bruid Maria Müllers een huwelijksovereenkomst af, waarbij het grootste deel teruggegeven werd. In het contract zelf werd aan het einde deze onderhandeling nogmaals woordelijk medegedeeld. Daarna vermaakte hij aan zijn bruid 100 talers. Afkomstig van de som van 300 talers, die hij ingevolge bovengenoemd contract uit het vaderlijk erfdeel vooraf ontvangen had. Deze 100 talers ontving zijn bruid ingeval Jurriaan vóór haar zou sterven zonder dat haar huwelijk met kinderen gezegend zou zijn. Verde4r moest de vrouw van haar mans erfdeel tot haar dood het vruchtgebruik hebben, ingeval zij zonder natuurlijke erfgenamen blijft, echter valt alsdan na haar dood de gehele erfenis aan de broeders van Jurriaan, respentievelijk aan de familie Poortman. Voor de kinderen, die uit het huwelijk zouden voorkomen, werd er nog een zin aan toegevoegd, die de toenmalige kerkverhoudingen binnen de evangelische kerk toelichtte. De zonen zoowel als de dochters moesten in de kerk van den vader gedoopt worden, echter gaan dan in religieus opzicht de zonen met den vader en de dochters met de moeder, dus de beide echtgenoten waren gereformeerd en Luthersch, d.w.z. Jurriaan Poortman was Luthersch en zijn bruid gereformeerd. Wij zouden thans zeggen: zij sloten een gemengd huwelijk met elkaar. Jurriaans bruid vermaakte hem eveneens 100 talers (van de stad Kleef) en beloofde een ongesproken uitzet mee te brengen, verder nog meubelen. Met betrekking op haar overig erfdeel golden dezelfde condities als met Jurriaan overeengekomen. Opmerkenswaard in deze overeenkomst is de passage, dat reeds voor het huwelijk vastgesteld werd, dat ingeval het huwelijk kinderloos blijft, de erfenis van de contractanten aan de familie van een ieder terugvalt en ook later niet meer testamentair een echtgenoot vermaakt worden kan. Het getuigd van een groote familietrek van de toenmalige Mülheimers, door genoemde toevoeging te verhinderen, dat het goed van een familie door huwelijk in vreemde handen geraakt. De huwelijksovereenkomsten werden door 3 getuigen, Willen Uller, Henderik Bergfried en Nicolaas poortman onderteekend. Jurriaan Poortman moet nu na afsluiting der beide overeenkomsten op definitieve regeling der erfverhoudingen tusschen hem en zijn broers aangedrongen hebben, want reeds weinige dagen later, op 26 juni 1714 werd tusschen hen een behoorlijke erfenisovereenkomst afgesloten. Volgens hem nam Jurriaan Poortman het ouderlijke eigendom over, het ging om de gebouwen, die nog in de Delle stonden (vergelijk stamhuisbeschrijving). De waarde der bezittingen werd op 1800 talers (van de stad Kleef) ieder á 57 alben vastgesteld. De broers beloofden deze erfenis eeuwig en onwederroepelijk over te dragen en de erfenis tegen iedereen te erkennen en staande te houden. De nog op de gebouwen rustende schuld en wel:

 

a. bij Herman op de Heide staand kapitaal 300 talers
b. bij de zuster van den architect Greta Kerkhuis 50 talers
c. bij Jurriaan Poortman volgens opmaking 300 talers
d. bij Nicolaas Poortman 32 talers
  682 talers

werd van bovengenoemde 1800 talers afgetrokken. Verder mocht Jurriaan nog 68 talers voor 4 jaar aftrekken voor onvoorziene uitgaven, die echter als dan verdeeld of eventueel verhoogd moest worden. Daarna ontving elk der broers als erfdeel 350 telers. Er werd nu verder vastgesteld, dat de broer Nicolaas voor zijn aandeel het tot nu toe bewoonde deel van de gebouwen van de vaderlijke erfenis verder bewonen zou. Er staat daaromtrent in de orgineele acte: "waarbij verder afgesproken, dat broer Nicolaas voor zijn hem competeerend aandeel á 350 talers bewonen en gebruiken mag, wat hij nu in bezit heeft, als de nieuwe aangebouwde woning alsmede de daaraan grenzende kamers en boven dezelfde de zolder, de halve schuur, de halve tuin op het erf tusschen het erfgoed van de bergvlakte, de Halscheid, waarop de pui ontbrak, de bakkerij echter geheel en alleen in goeden staat en noodzakelijke reparatie houden en maken zal laten". Tenslotte bevestigen de broers Jurriaan nog nadrukkelijk, dat zij met de gemaakte boedelscheiding geheel en al tevreden waren. In weerwil van bovenstaande gegeven belofte betreffende achting van de erfenisovereenkomst verzocht Christoffel Poortman eenigen tijd later om opheffing van deze overeenkomst. Hij grondde zijn klacht hierop, dat hij bij de samenstelling van de overeenkomst bedrogen was. Hij beweerde, dat de erfenis van zijn ouders niet, zooals in het contract stond 1800 talers waard was, maar zou bij publieken verkoop 3000 talers opgebracht hebben, dan had Jurriaan geheel geen bewijs naar voren gebracht, dat hij 300 talers vooraf te vorderen zou gehad hebben, hij meende daarmee wel, dat Jurriaan daarvoor geen rekeningen als bewijs bijgebracht zou hebben, verder heeft Jurriaan de erfenisovereenkomst door een advocaat laten beschrijven en de van de reis terugkeerende Christoffel voorgelegd en heeft dan hem "met schoone woorden" overreed zijn naam daaronder te zetten. In de haast heeft Christoffel geen ander hierover kunnen raadplegen. Verder heeft Jurriaan hem zijn huisvrouw op 21 April 1717 voor de rechtbank laten dagvaardigen, tegelijk met zijn broer Nicolaas en diens vrouw. Er werd daar de overeenkomst van 26 Juni 1714 nogmaals voorgelezen en Jurriaan heeft toen door den rechter laten vragen of alle met de overeenkomst accoord ging. Daarop hebben alle hun toestemming gegeven, ook zijn vrouw (nl. van Christoffel) ofschoon zij bij de samenstelling van de overeenkomst van 1714 nog niet zijn huisvrouw was, Dus ook de inhoud van het contract niet zou gekend hebben. Zij zou daardoor ook in het geheel niet hebben geweten, waarom het eigenlijk ging, bovendien heeft Jurriaan haar door vele redevoeringen omgepraat, zodat zij haar toestemming tegen beter weten in gegeven zou hebben. Op grond van al deze tegenwerpingen stelde Christoffel Poortman die nietigheidsverklaring van de erfovereenkomst van 26 Juni 1717 voor Bij de klacht van Christoffel betreffende de betwijfelende som van 3000 telers, waarop Jurriaan uit de vaderlijke erfenis vooraf aanspraak maakte, zou nog aan toe te voegen zijn, dat Jurriaan deze som werkelijk te eischen had, want volgens de acte van 8 Juni 1714 die Christoffel eveneens zelf mede ondertekend had, heeft Jurriaan niet allen 3000 talers, maar zelfs 328½ talers te vorderen (zie contract van 8 Juni 1714). Hij heeft van de rest á 28½ talers afgezien. Of nu Christoffel met zijn klacht bij de rechtbank succes gehad heeft, of, of Jurriaan, die steeds een man met groot familie aanhankelijkheid geweest is, zich vrijwillig voor een verandering bereid verklaard heeft, is niet vast te stellen, daar de acten hierover niet voorhanden zijn. Het blijkt nu uit een acte, dat een verzoeningsovereenkomst op 10 April 1719 tot stand gekomen is, echter is dit contact niet meer behouden maar wel nog een overeenkomst als aanhangsel, waarnaar de hoofdovereenkomst zonder dit aanhangsel geen geldigheid zou hebben. De overeenkomst als aanhangsel waaruit men vernemen kan, dat Christoffel zoowel als zijn broer Nicolaas het recht tot bewoning in het ouderlijk huis toegestaan is, bevat de hierbij volgende aanvulling. Mocht Christoffel vóór zijn huisvrouw sterven, dam behoudt deze het recht van bewoning, verder ook bij een tweede huwelijk, ja zelfs haar tweede man behoudt dit recht, voor het geval hij haar mocht overleven. Ook mogen zij naar goeddunken onderverhuren. Dan mag Christoffel over de plaats en over het erf Jurriaan met wagens, kruiwagens, schagen, enz. naar de schuur gaan. Verder hunnen beide Jurriaan of Christoffel een haag ter begrenzing van hun woon- en dienstvertrekken maken, hoe of wanneer zij willen. De mesthoop zal niet gezamenlijk zijn, maar ieder zal zich tot zijn gedeelte bepalen. Dan kunnen Christoffel en zijn vrouw op hun woning 350 talers leenen en daarmee doen, wat hun behaagt. Wanneer na het sterven van Christoffel of zijn vrouw het huis weer aan Jurriaan Poortman terugvalt, dan moet laatstgenoemde voor deling der 350 talers zorgen (zie ook overeenkomst van 26 Juni 1714). Laten Christoffel en zijn vrouw natuurlijke erfgenamen achter, dan zullen deze in het bezit van de woning blijven, met alle rechten der erf-, schuur-, en zoldergebruik.

Mocht nu echter een van de contractanten zich tegen het contract verzetten, dan moet hij 25 talers aan de armen van de gemeente betalen. Interressant is het, dat deze overeenkomst voor beide huivrouwen door den toenmalige pastoor Joh. Andreas Olazius ondertekend is, de huisvrouwen waren van het schrijven onkundig. Men mag wel aannemen, daar het aanvullingscontract niet voor de rechtbank gesloten is, dat ook het hoofdcontract zonder rechtelijke hulp tot stand kwam. Jurriaan heeft wel toegegeven, hetgeen met zij groote liefde voor de familie ook overeenkomt. Van Jurriaan Poortman blijft nog te zeggen dat hij niet alleen als hoofd de toenmalige familie Poortman aangezien moet worden, maar een groot aantal documenten bewijzen, dat hij steeds weer zijn broers met raad, echter ook met geld geholpen heeft. Hij heeft het goed van de familie Poortman verder vermeerderd en verhinderd, dat stukken van hem in andere handen zou kunnen geraken. Een opsomming van reparatierekeningen bewijst, hoe groot vermogen hij daaraan besteedde, dat het stamhuis, hetwelk toen reeds 150 jaar oud was, in Goede toestand bleef. Aan zijn zorg is het misschien ook nog te danken, dat het stamhuis heden nog, inclusief de nevengebouwen in een verbazingwekkende goeden toestand zich bevindt. Gelijk zijn voorvaders was Jurriaan een aanzienlijk man in het kerkelijk leven van Mülheim aan de Roer, zoo bekleedde hij het ambt van kerkprovisor zooals het destijds heette. Tegenwoordig noemen wij den bekleder van deze eerepost kerkmeester, hij beteekent voor de kerkelijke gemeente hetzelfde als de burgemeester voor een stad. Alszoodanig heeft Jurriaan Poortman zijn jongere broer Christoffel, niettegenstaande hij juist van dezen bij boedelverdeeling veel onaangenaamheid ondervond, als koster van de Luthersche gemeente aangesteld. Hij was een hooggeacht man, men riep zijn hulp in, riep hem ter beslechting van geschillen en waardeerde zijn verstandige meening. Hij stierf op 27 Januari 1732. Zijn huisvrouw trouwde nog een twee keer met Arnold Bleckman, bleef echter op het erf wonen, ook toen zij spoedig daarop nogmaals weduwe werd. Zij moet een onverdraagzame vrouw zijn geweest en heeft veel met de familie van haar eersten man overhoop gelegen.

 

 

Nicolaas Poortman en Karl Arnoldus Poortman

Uit het vorige gedeelte blijkt, dat de tweede zoon van den in 1690 gestorven Arnoldus Poortman, het opperhoofd van de familie Poortman is geweest. Zijn oudere broer Nicolaas onttrok zich geheel van hem. Hij is in tegenstelling tot zijn rusteloozen broer Jurriaan en de driftige Christoffel een rustig mensch geweest, die zich stil met zijn zaken bezig hield, maat nooit uit zijn geldgebrek is gekomen. Er zijn een heele reeks kleine documenten aanwezig, waarin hij zoowel als zijn vrouw, den ontvangst van een lening van Jurriaan schriftelijk verklaarden. Van hem is werkelijk niets meer te deelen. Zijn zoon Karl Arnoldus Poortman had dezelfde natuur als zijn vader. De weduwe van Jurriaan Poortman moet hem later allerlei onaangenaamheden aangedaan hebben, zij wilde hem wel van het Poortmanserf dat hij volgens de erfovereenkomst, die de broers Nicolaas, Jurriaan en Christoffel sloten, bewoonde, er uitzetten. In het jaar 1759 moet hij zich zelfs tot de rechtbank wenden om zijn recht tegenover de weduwe door te zetten. De vrouw wilde hem zijn recht van "rijden-, drijven-, kruien-over-den-weg" tot zijn woonhuis afnemen. De samenwerking tusschen de familie, die Jurriaan Poortman steeds gezocht had, scheen erg geleden te hebben. Misschien zijn de onverkwikkelijke toestanden de reden geweest, waarom eerst de tweede zoon van Karl Arnoldus, Bernardus, en later de zoon uit het tweede huwelijk, Karl Arnoldus, het vaderland verlieten om in Holland hun geluk te beproeven. Deze laatste Karl Arnoldus, geboren 7 Juli 1759 is de stamvader van het geslacht poortman, dat thans in Holland ver uitgebreid is. Er zijn overigens uit den tijd van 1730 - 1770 zeer weinig papieren over de familie Poortman aanwezig, eerst toen een nieuw zeer energieke familielid van de familie Poortman, George Hendrik Poortman geboren op 6 October 1754 als zoon van Caspar Poortman, hoofd der familie was, vinden wij weer een groot aantal documenten en aanteekeningen.

Karel Arnold Poortman  1759 - 1835

Pauw

 

 

Opmerkingen behorende bij den stamboom van de familie Poortman 

a.  Jurriaan Nicolaas Poortman. Het geboorte jaar is niet precies vast te stellen, daarom is het met omstreeks 1580 aangegeven. Jurriaan Nicolaas poortman was in 1623 een man in zijn beste jaren, dus 40 - 45 jaar oud, zoodat men zijn geboortejaar gevoeglijk als juist aanduiden mag. Echter is zijn sterfjaar niet meer vast te stellen. Hij heeft slechts een zoon gehad, want in de oude papieren wordt van meerdere kinderen niets verteld. Evenzoo is de naam van zijn echtgenoote nergens te vinden. De geboortedata vóór het jaar 1718 (pas vanaf dit jaar dateren de Luthersche kerkboeken) zijn of uit de acten overgenomen, of, daar in de kerkboeken de leeftijd van de gestorvenen aangegeven was, liet zich het geboortejaar uitrekenen.

b.  Arnoldus Poortman, geboren in het jaar 1620, gestorven in 1690, had nog meer kinderen, toch worden hun namen niet genoemd, ook hoort men in de erfenisverdeeling van het jaar 1714 niets van hen. Zij zijn blijkbaar vroeg gestorven.

c.  Karl Arnoldus Poortman werd niet op 7 Juli, maar volgens het kerkboek op 7 Juni geboren.

 

 

Resultaten der navorsching naar een wapen der familie Poortman 

Bij de onderzoekingen naar een wapen de familie Poortman was in het begin een tastbaar resultaat niet te bereiken. De oude grafsteen, waarop volgens overlevering een wapenteekening uitgehouwen was, waren niet te vinden. Evenzoo bleek uit geen der oude papieren een wapen, dit bewijst echter in geen geval, dat de familie Poortman geen wapen gehad had. De samensteller heeft onlangs voor een andere Hollandsche familie, die ook uit Mülheim a/d. Roer stamt, een gedeelte uit de geschiedenis aan deze familie vóór 1600 samengesteld. In het verloop van deze onderzoekingen kon worden vastgesteld, dat de betreffende familie hier in den toenmaligen tijd een wapen voerde, het origineel werd zelfs in een oorkonde van 1571 gevonden. De tegenwoordige familie hier ter plaatse, die geen wapen meer voert, is het feit, dat zij te eniger tijd een wapen bezaten, volledig onbekend. Eevenzoo heeft rector Klewer voor de groote Hollandsche familie Nolthenius, wier stamvader eveneens uit Mülheim was, hij heef Nolden, een uittreksel uit de kroniek van de familie N. geschreven. Ook van deze familie is in Mülheim van een wapen niets meer bekend, dat de Hollandsche familie echter nu nog voert. (Een lid der familie Nolthenius, R.P.J. Tutein Northenius, hij leefde in La Tour de Peilz in Zwitserland, heeft een werk over zijn familie geschreven, dat bij Joh. Enschede & Zonen als handwerk honderdvoudig gedrukt is. Het omvat op geschept papier gedrukt 3 geweldige banden en is getiteld: "het geslacht Nolthenius".) Het blijkt uit bovenstaande, dat de wapentraditie bij de familie Poortman ook wel in vergetenheid kan geraakt zijn, zooals bij zoovele oude burgelijke families hier in Duitschland. In Holland schijnt men deze traditie zeer veel hooger gewaardeerd te hebben. Door een toeval kwam nu een bericht bij den samensteller, volgens hetwelk zich op een ouden grafsteen van het toenmaligen Luthersche kerkhof een wapen der familie Poortman moet bevinden. Het is in de bijlage afgebeeld. Het wapenschild stelt een kasteel met een poort en twee vensters voor, daarboven twee gekruisde degens en een helm. Nu is het bedoelde Luthersche kerkhof in de zeventiger jaren van de vorige eeuw opgeheven. De grafstenen zijn gedeeltelijk op het nieuwe kerkhof gekomen, deels door de eigenaars der grafstenen Naar huis gehaald. Zoo zal het met den grafsteen der familie Poortman ook gegaan zijn. Een oud lid der familie Poortman alhier, weet van de grafsteenen af, maar kan over de verblijfplaats van den steen helaas niets meer zeggen. Nu mag de onderzoeker weer spreken en zijn meening vertellen, waarnaar het afgebeelde wapen zeer wel het door de familie gevoerde, maar in vergetelheid geraakte geweest is. De vereniging voor de geschiedenis van Mülheim a/d. Roer bezit een wapenverzameling, die reeds vóór 100 jaren aangelegd werd en verder bijgehouden wordt. In deze verzameling zijn twee wapens aanwezig, die met bovenstaand wapen overeenkomen en waarvan de eigenaars van der Poort en van Poort heeten. Van deze beide wapens is het van der Port afgebeeld, die van der port hadden in het schild twee geopende poorten. Uit de overeenkomst der wapens eenerzijds en de namen anderzijds blijkt zeer wel de mogelijkheid, dat de familie Poortman in Mülheim het afgebeelde wapen bezeten heeft.

 

 

Afschrift van een oorkonde van 20 Juni 1691 

Wij, rechters van de Arrondissementsrechtbank, betuigen en verklagen, dat voor ons persoonlijk is verschenen de deugdzame Catarina, weduwe van Arnoldus Poortman, als ook haar beide oudste en meerderjarige zonen, Nicolaas en Jurriaan, en hebben bekend voor zich en voor hun respectievelijke onmondige kinderen en broers, dat zij reeds vele jaren lang een verplichting hebben, de eerzame Jurriaan Dümpterman 64 talers schuldig te zijn. Met dezelfde echter in der minne dusdanige overeengekomen of vereffend, dat hij een groot deel van de vervallen rente kwijtscheldt en zijn geheele aanspraak op 75 talers a 30 stuivers (van de stad Kleef) gerekend, vastgesteld, ook hun bovendien nog 75 talers beloofd heeft te leenen, dat dus de gehele som, dus is de nalatenschap "Poortman" aan crediteur Dümperman schuldig in totaal 150 talers. Waarvan de erfgenamen direct 50 talers bekend hebben ontvangen en over eenige weken nog 25 talers zullen krijgen (hier staat een aantekening: 5 Juli 1691 heb ik deze 25 talers ontvangen, Jurriaan Poortman). Hiertegen is aan Jurriaan Dümpterman jaarlijks 4 procent dus 6 talers interest schuldig en beloofd te betalen. 

                                                                  Mülheim a/d. Roer, 26 Juli 1691

                                                                 Geteekend: C. Weinhausen, griffie

Bij deze acte zijn de volgende aanhangsels. 

Beken ik, ondergeteekende, dat ik de hiergenoemde 150 talers van Herman op de Heide heb ontvangen en doe hiermede kwijting. 

Anno, 11 Juli, 1697                                Hendrik Dümpterman

Hendrik Dümpterman had dus de schuldbetekenis weer verkocht.

Beken ik Herman op de Heide, dat ik van Jurriaan Poortman dit kapitaal met som en interest geheel ontvangen heb.

(Herman op de Heide bekent, dat is zeker. )

 

 

 

Huwelijksvoorwaarden tusschen den aankomende geestelijke Jurriaan Poortman (1666-1732)

en zijn bruid Maria Müllers van 9 Juni 1714

In den naam van de allerheiligste Drievuldigheid. Amen. Omdat het iedereen bekend zal worden, in het bijzonder echter degene, die het noodzakelijk moeten weten, dat heden onder genoemden datum de volgende huwelijksovereenkomst gesloten tussen den eerzame en aanzienlijke Jurriaan poortman, jonggezel, de voortgebrachte, wettige tweede zoon van den hooggeachte Arnoldus poortman zaliger en Catarina, gewezen echtgenoot, als bruidegom eenerzijds. Zoodan de deugdzame maagd Maria Müllers, de voortgebrachte oudste dochter van den hooggeachte Hennigje Müllers en Johanna wettige echtgenoote, als bruid, alsmede hiervolgend met beiderzijdsche familieleden en vrienden goedkeuring. Onderteekend als volgt.

(1)     Aanvankelijk is besloten, dat genoemde Jurriaan Poortman als bruidegom, die Maria Müllers als bruid op voorgenoemde proclamatie ter huwelijk neemt en tot in de ure van zijn dood voor zijn echtgemalin erkennen zal.

(2)   Ten tweede vermaakt hij aan zijn bruid 100 talers (zegge honderd talers) uit de 300 talers, die hij voorgeschoten en door zijn broeders op hun vaderlijke erfdeel hem aangewezen, en vooraf moet hebben, wanneer in het verre verschiet hij, bruidegom, vóór zien zou komen te sterven.

(3)   Verder zal de bruid van het kindsdeel van den bruidegom het vruchtgebruik gedurende haar leven genieten, na haar dood echter weer aan de broers van de bruidegom terugvallen.

(4)   Wanneer verder hen God met vrucht in't moederlichaam zal zegenen, zal bruidegom zoowel als dochters in zijn kerk laten doopen, doch zullen daarna de dochters met de moeder, de zonen achter den vader meegaan.

(5)   Verder zal de bruid aan haar bruidegom 100 talers (zegge honderd Kleefsche talers) vermaken, belooft ook een onbesproken uitzet alsmede bedoelde 100 talers in te brengen, welke uitzet, alsmede bedoelde 100 talers en wat de bruid overigens aan contanten en huisraad hebben mocht, evenals haar bruidegom, ingeval zij zonder natuurlijke erfgenamen mocht sterven, hiermede vermaakt en afgedragen.

(6)   Wanneer verder bruid vóór haar bruidegom zonder natuurlijke erfgenamen zou komen te sterven, moet eveneens zoo lang hij zal leven van haar nalatenschap het vruchtgebruik genieten, na haar dood echter ook weer aan haar zijde terugvallen

Waarmede dan deze huwelijksovereenkomst gesloten, authentiek en tot bestendigde bevestiging hebben beiderzijde bruidegom en bruid als ook hun bloedverwanten en aanwezige vrienden tegenwoordige huwelijksopteekening eigenhandig onderteekend, aldus geschiedt, den 9e Juni 1714.

Getuigen: Wilhelm Müllers, Hendrik Bergfield, Nicolaas Poortman

 

 

 

   

 

Afdruk van de "Poortman" zegelring.

(vervaardigd door Heraldisch-Atelier Marten Damstra in Groenekan)